written by
Inge Braem

Wetsontwerp centenindex

Sociaal Secretariaat 3 min

Op 24 november 2025 bereikte de regering De Wever een begrotingsakkoord, waarin één van de maatregelen de veelbesproken “selectieve centenindex” was.

Op 23 februari 2026 werd het wetsontwerp hierover ingediend in de Kamer. In de tekst wordt de centenindex omschreven als een “loonmatiging door tijdelijke beperking van de aanpassing van de lonen overeenkomstig een indexeringsmechanisme”. De beperking van de index zou een eerste keer plaatsvinden vanaf 1 juni 2026 en een tweede keer in 2028.

Wat betekent dit concreet? Hieronder vind je een overzicht van de basisprincipes van de centenindex. Opgelet, deze informatie is gebaseerd op een ontwerptekst en geldt onder voorbehoud van publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Algemeen principe

Voor hogere lonen, concreet lonen boven de € 4.000 bruto, wordt de index afgetopt ten belope van 2%. Voor lonen tot € 4.000 bruto geldt de normale indexering.

Deze beperking treedt in werking vanaf 1 juni 2026. Het uitgangspunt is dat iedere sector 2x rekening moet houden met de aftopping van de index.

Vanaf 1 juni 2026 zullen alle wettelijke bepalingen, individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten, alsook individuele beslissingen die de lonen koppelen aan een indexmechanisme, voor de eerste keer slechts uitwerking hebben ten belope van 2% van het referteloon begrensd tot € 4.000.

Voor sommige sectoren en ondernemingen zal de maatregel dus nog gevolg hebben in 2026; voor anderen gaat dat pas in 2027 het geval zijn.

Vanaf 1 januari 2028 volgt de beperking voor een tweede keer.

Vast basisloon

Om te bepalen of de loonmatiging van toepassing is, wordt enkel het bruto maandelijks vast baremiek of contractueel basisloon, onafhankelijk van prestaties of uren, op voltijdse basis in aanmerking genomen. Dit is het referteloon.

Het vast basisloon omvat bijvoorbeeld niet het overloon, maaltijdcheques, ecocheques, eindejaarspremies, winstpremies, prestatiebonussen, toeslagen voor nacht- of weekendarbeid, etc.

Het referteloon van deeltijdse werknemers wordt bereikt door het deeltijds loon overeenkomstig de tewerkstellingsbreuk om te rekenen naar een voltijdse loon.

Voor werknemers van wie het basisloon wordt uitgedrukt als uurloon, wordt het referteloon bereikt door het uurloon te vermenigvuldigen met de voltijdse wekelijkse arbeidsduur voor de functie, vermenigvuldigd met 13 en gedeeld door 3.

Voorbeelden

Het wetsontwerp voorziet enkele voorbeelden om bovenstaande te verduidelijken.

Voorbeeld 1

Eenmalige indexering: in januari 2027 voorziet PC 200 een loonindexering van 2,2%.

Werknemer A met een referteloon (maandelijks voltijds) van € 3.000 valt niet onder de toepassing van deze maatregel. Diens loon wordt geïndexeerd met 2,2% overeenkomstig de sectorale bepalingen: 3.000 x 2,2 % = € 66. Het referteloon na indexering bedraagt € 3.066.

Voor werknemer B met een referteloon van € 10.000:

  • wordt eerst het gedeelte van het referteloon tot € 4.000 beperkt geïndexeerd aan 2%: 4.000 x 2% = € 80 (stap 1);
  • wordt vervolgens het volledige referteloon geïndexeerd ten belope van het verschil tussen het reële cumulatieve indexeringspercentage en die 2% (2,2% - 2% = 0,2%): 10.000 x 0,2% = € 20 (stap 2).

Het geïndexeerd referteloon met toepassing van de loonmatiging bedraagt € 10.100. Zonder toepassing van de loonmatiging zou het geïndexeerd loon € 10.220 bedragen (10.000 x 2,2%).

Voorbeeld 2

Een sectorale CAO voorziet in een loonindexering met 1% in mei 2026 en met 1,5% in september 2026.

Werknemer A met een referteloon (maandelijks voltijds) van € 3.000 valt niet onder de toepassing van deze maatregel. Diens loon wordt overeenkomstig de sectorale bepalingen in mei 2026 geïndexeerd met 1% (€ 3.030) en in september 2026 met 1,5%: 3.030 x 1,5% = € 3.075,45.

Voor werknemer B met een referteloon van € 10.000, wordt:

  • in mei 2026:
  • eerst het gedeelte van het referteloon tot € 4.000 beperkt geïndexeerd aan 1%: 4.000 x 1% = € 40 (stap 1) loon na indexering mei: € 10.040;
  • het gedeelte van het referteloon boven de € 4.000 euro niet geïndexeerd aangezien de 2% nog niet is bereikt;
  • in september 2026:
  • eerst het gedeelte van het referteloon tot € 4.000 euro beperkt geïndexeerd aan 1%: 4.000 x 1% = € 40 (stap 1);
  • vervolgens het volledig referteloon geïndexeerd ten belope van het verschil tussen het theoretisch indexeringspercentage in de eerste matigingsperiode en die 2% (2,5% - 2% = 0,5%): 10.040 x 0,5%= € 50,20 (stap 2). Het geïndexeerd loon bedraagt dan € 10.130,20 (10.040 + 40 + 50,20).

Zonder toepassing van de loonmatiging zou het geïndexeerd loon € 10.251,50 bedragen, berekend als volgt:

  • 10.000 x 1% = € 10.100;
  • 10.100 x 1,5% = 10.100 + 151,50 = € 10.251,50.

Met dit laatste voorbeeld wordt verduidelijkt dat de loonmatiging moet worden bekeken over de volledige matigingsperiode, tot het percentage van 2% is bereikt. De eerste matigingsperiode loopt van 1 juni 2026 tot en met vermoedelijk 31 december 2027.

Patronale loonmatigingsbijdrage

De werkgever zal de helft van de gerealiseerde besparing door de bovenstaande loonmatiging moeten doorstorten aan de RSZ.

De loonmatigingsbijdrage zal verschillende vormen en berekeningsmodaliteiten aannemen:

  • een bijzondere loonmatigingsbijdrage – tijdens de eerste en tweede matigingsperiode;
  • een voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage – zodra het matigingseffectief de eerste keer wordt bereikt;
  • een definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage – zodra het matigingseffect de tweede keer wordt bereikt.

Het wetsontwerp bevat de formule voor de bijzondere loonmatigingsbijdrage. De bijdrage moet per maand worden betaald na de matiging van de index.

De formules voor zowel de voorlopige als definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage zullen nog bij koninklijk besluit worden bepaald.

Verplichte toepassing?

Het wetsontwerp vermeldt dat de werkgevers worden geacht de index toe te passen overeenkomstig deze wet.

Het is momenteel dus nog niet duidelijk of de werkgever er ook voor kan kiezen om de normale index toe te passen indien eigenlijk de centenindex moet worden toegepast. Echter, hoe dan ook zou de werkgever dan nog steeds de loonmatigingsbijdrage verschuldigd zijn aan de RSZ.

Bron: Ontwerp van programmawet, Kamer 56/1378, www.dekamer.be.

centenindex loonindexering loonmatiging begrotingsakkoord wetsontwerp